De basisbewerkingen van de gehele getallen

Download deze les als pdf

Alvorens we in de rationale getallen duiken, frissen we graag nog eerst even de bewerkingen met gehele getallen op. De verzameling van de gehele getallen (afgekort: Z\mathbb{Z}), kent vier basisbewerkingen: de optelling, de aftrekking, de vermenigvuldiging en de deling. We bespreken hieronder de terminologie en de eigenschappen van elk van deze basisbewerkingen. We gaan telkens ook wat dieper in op wat we moeten doen wanneer we in die bewerkingen negatieve getallen tegenkomen.

Gehele getallen optellen

Wanneer we getallen bij elkaar optellen, noemen we die getallen de termen van de optelling. De uitkomst van de optelling noemen we de som.

Een optelling bestaat uit termen die als resultaat een som geven. We gebruiken het plusteken.

Een optelling voorstellen op een getallenas

Een optelling kunnen we visueel voorstellen op een getallenas. We beginnen op de 00 van de getallenas en telkens we een optelling tegenkomen, zetten we een aantal stappen. Wanneer je bv. vanaf de 00 drie stappen naar rechts gaat en je daarna nog eens twee stappen naar rechts gaat, kom je uit op de 55 van de getallenas. We kunnen dit schrijven als de som 3+2=53 + 2 = 5.

De optelling met twee positieve getallen, weergegeven op een getallenas

Optellingen met negatieve getallen

In de verzameling van de gehele getallen zitten er ook negatieve getallen. Hoe kunnen we die optellen? Een negatief getal optellen, betekent op onze getallenas dat we dat aantal stappen naar links zetten, in plaats van naar rechts. Zo krijg je 44 wanneer je 66 en 2-2 optelt. Je gaat eerst zes stappen naar rechts en dan twee stappen naar links, door het minteken voor de 22.

De optelling met een negatief getal, weergegeven op een getallenas.

Je kunt natuurlijk ook twee negatieve getallen bij elkaar optellen. Zo krijg je 5-5 wanneer je 2-2 en 3-3 optelt: je zet eerst twee stappen naar links en vervolgens nog eens drie stappen naar links.

De optelling met twee negatieve getallen, weergegeven op een getallenas.

De optelling in Z\mathbb{Z} is commutatief

Of je nu eerst 33 stappen naar rechts en vervolgens 22 stappen naar rechts zet, of eerst 22 stappen en dan 33 stappen, dat maakt geen verschil:

3+2=53 + 2 = 5
2+3=52 + 3 = 5

We mogen dus de termen in een optelling van plaats veranderen. Wanneer de volgorde van het uitrekenen van een bewerking niet uitmaakt, zeggen we dat die bewerking commutatief is. Het optellen van gehele getallen is dus commutatief. Een ander voorbeeld:

8+5+10=7-8 + 5 + 10 = 7
10+5+(8)=710 + 5 + (-8) = 7
10+(8)+5=710 + (-8) + 5 = 7
5+10+(8)=75 + 10 + (-8) = 7
5+(8)+10=75 + (-8) + 10 = 7

Je ziet, onafhankelijk van de volgorde van de termen krijgen we steeds dezelfde oplossing.

De optelling in Z\mathbb{Z} is associatief

Wanneer er haakjes in een bewerking staan, betekent het dat we eerst moeten uitrekenen wat er binnen de haakjes staat. Bijvoorbeeld

87+(21+5)87 + (21 + 5)

Dan moeten we eerst de 21+521 + 5 die tussen de haakjes staat uitrekenen om vervolgens de volledige uitkomst te berekenen:

87+(21+5)=87+26=11387 + \orange{(21 + 5)} = 87 + \orange{26} = 113

Maar wat als de opgave als volgt was?

(87+21)+5(87 + 21) + 5

Dan moeten we eerst de 87+2187 + 21 uitrekenen:

(87+21)+5=108+5=113\orange{(87 + 21)} + 5 = \orange{108} + 5 = 113

En wat zien we?! We krijgen dezelfde uitkomst! Zelfs wanneer we de haakjes helemaal weglaten, krijgen we dezelfde uitkomst:

87+21+5=11387 + 21 + 5 = 113

Het maakt voor de optelling van de gehele getallen niet uit waar er haakjes staan. We zeggen dat de optelling van gehele getallen associatief is. Een ander voorbeeld:

(15+(4))+22=11+22=33\big(15 + (-4)\big) + 22 = 11 + 22 = 33
15+(4+22)=15+18=3315 + (-4 + 22) = 15 + 18 = 33
15+(4)+22=3315 + (-4) + 22 = 33

Merk op dat de haakjes rond de 4-4 niets met associativiteit te maken hebben. Die staan er enkel zodat het minteken niet zou "botsen" met het plusteken. Anders zouden we iets krijgen als 15+4+2215 + - 4 + 22 en dat leest moeilijk. Veel properder (en juister) is 15+(4)+2215 + (-4) + 22.

Nul is het neutraal element voor de optelling in Z\mathbb{Z}

Wanneer we ergens op de getallenas staan en we zetten nul stappen naar rechts, dan blijven we natuurlijk op hetzelfde getal staan. Enkele voorbeelden:

  • 25+0=2525 + 0 = 25
  • 13+0=1313 + 0 = 13
  • 63+0=63-63 + 0 = -63

Nul optellen bij een getal geeft als uitkomst dus dat getal zelf. Ook als we bij nul een getal optellen, krijgen we het getal zelf:

  • 0+32=320 + 32 = 32
  • 0+(53)=530 + (-53) = - 53
  • 0+(8)=80 + (-8) = -8

We zien dat een optelling bij nul of een optelling met nul geen effect heeft. Daarom zeggen we dat nul het neutraal element is voor de optelling van gehele getallen.

Gehele getallen aftrekken

De onderdelen van een aftrekking noemen we, net als bij een optelling, de termen. Tussen die termen noteren we een minteken en de uitkomst van de aftrekking is het verschil.

Een aftrekking bestaat uit termen die als resultaat een verschil geven. We gebruiken het minteken.

Wanneer de aftrekking bestaat uit twee termen, noemen we de eerste term ook wel het aftrektal en de tweede term de aftrekker. In de aftrekking hierboven is 1010 dus het aftrektal en is 22 de aftrekker.

Net zoals bij een optelling, kunnen we ook een aftrekking voorstellen op een getallenas. Het minteken zegt dat we voor het daarop volgende getal naar links moeten in plaats van naar rechts. Zo betekent 10210 - 2: zet 1010 stappen naar rechts en vervolgens 22 naar links, door het minteken voor de 22. We komen dan uit bij 88.

Aftrekkingen met negatieve getallen

Wat als we nu een negatief getal willen aftrekken? Bijvoorbeeld:

12(8)12 - (-8)

We zetten eerst 1212 stappen naar rechts, maar wat dan? 88 stappen naar rechts of naar links? Één minteken wil zeggen: "naar links". Twee mintekens wil terug zeggen: "naar rechts". Dus: 1212 stappen naar rechts en vervolgens 88 stappen opnieuw naar rechts. We komen uit op 2020:

12(8)=2012 - (-8) = 20

Merk op dat dit hetzelfde is als:

12+8=2012 + 8 = 20

We zeggen dat twee opeenvolgende mintekens hetzelfde is als één plusteken. Vind je dat vreemd? We zullen even proberen uitleggen waarom dat eigenlijk logisch is. Een minteken betekent niets meer dan "het tegengestelde van":

  • 3-3 is het tegengestelde van 33
  • 7-7 is het tegengestelde van 77
  • 51-51 is het tegengestelde van 5151

Als we nu twee opeenvolgende mintekens hebben, zoals bv. (8)-(-8), dan kunnen we dat lezen als: "het tegengestelde van 8-8". En dat is terug 88 zelf natuurlijk.

Waarom is 88 het tegengestelde van 8-8?

Het tegengestelde van een getal vind je door je af te vragen: welk getal moet ik hierbij optellen om bij 00 uit te komen? Of anders: hoeveel stappen moet ik op de getallenas zetten om van dit getal naar 00 te gaan?

Wanneer je bijvoorbeeld op 33 staat, moet je 33 stappen naar links zetten om terug op 00 uit te komen. Het tegengestelde van 33 is daarom 3-3.

Wanneer we op 8-8 staan, moeten we echter 88 stappen naar rechts zetten om bij 00 uit te komen. Het tegengestelde van 8-8 is dus 88.

Enkele andere voorbeelden:

  • Het tegengestelde van 7-7 is 77, dus (7)=+7-(-7) = +7
  • Het tegengestelde van 65-65 is 6565, dus (65)=+65-(-65) = +65
  • Het tegengestelde van 13-13 is 1313, dus (13)=+13-(-13) = +13

Wanneer we nu een aftrekking met een negatief getal tegenkomen, is het dus niet verwonderlijk dat dat neerkomt op een optelling:

  • 37(22)=37+22=5937 - (-22) = 37 + 22 = 59
  • 12(9)=12+9=2112 - (-9) = 12 + 9 = 21
  • 84(50)=84+50=13484 - (-50) = 84 + 50 = 134

Wat als dat eerste getal nu ook negatief is? Bijvoorbeeld,

16(20)-16 - (-20)

Wel, dan doen we precies hetzelfde. De (20)-(-20) wordt terug ++ en we krijgen de optelling van een negatief en positief getal:

16(20)=16+20-16 - (-20) = -16 + 20

Dat lezen we als: "We gaan eerst 1616 stappen naar links en vervolgens 2020 stappen naar rechts". We komen dan uit op 44:

16(20)=16+20=4-16 - (-20) = -16 + 20 = 4

Enkele andere voorbeelden:

  • 33(7)=33+7=26-33 - (-7) = - 33 + 7 = - 26
  • 12(60)=12+60=48-12 - (-60) = -12 + 60 = 48
  • 1(1)=1+1=0-1 - (-1) = - 1 + 1 = 0

De aftrekking in Z\mathbb{Z} is NIET commutatief

In tegenstelling tot de optelling van gehele getallen, is de aftrekking van gehele getallen NIET commutatief! We mogen de termen van een aftrekking niet zomaar van plaats veranderen. Bijvoorbeeld:

204=1620 - 4 = 16
420=164 - 20 = -16

Je ziet dat we niet dezelfde uitkomst hebben wanneer we de 44 en de 2020 van plaats verwisselen.

De aftrekking in Z\mathbb{Z} is NIET associatief

Ook de haakjes mag je niet zomaar van plaats veranderen bij een aftrekking. De aftrekking van gehele getallen is dus NIET associatief. Bijvoorbeeld:

18(69)=18(3)=18+3=21\begin{aligned} 18 - (6 - 9) &= 18 - (-3)\\ &= 18 + 3\\ &= 21 \end{aligned}
(186)9=129=3\begin{aligned} (18 - 6) - 9 &= 12 - 9\\ &= 3 \end{aligned}

Je ziet dat we niet dezelfde uitkomst hebben wanneer we de haakjes van plaats veranderen.

Een aftrekking omzetten naar een optelling

Het is je misschien al opgevallen dat bijvoorbeeld 6+(2)6 + (-2) dezelfde uitkomst heeft als 626 - 2:

6+(2)=46 + (-2) = 4
62=46 - 2 = 4

Dat is niet toevallig. Je kunt een aftrekking altijd herschrijven als een optelling. Dat is heel handig, want daardoor krijgen we ook alle eigenschappen van een optelling. Wanneer je een aftrekking herschrijft als een optelling, kan je de termen wél van plaats veranderen. Dat kan niet bij een aftrekking.

20110=20+(110)=110+20=90\begin{aligned} 20 - 110 &= 20 + (-110)\\ &= -110 + 20 \\ &= -90 \end{aligned}

Dat maakt het soms ook eenvoudiger om uit te rekenen. Vanaf 2020 in gedachten 110110 stappen naar links zetten is moeilijker dan vanaf 110-110 in gedachten 2020 stappen naar rechts te zetten.

Het omzetten van een aftrekking naar een optelling, is heel eenvoudig. Je zet het getal met het minteken tussen haakjes en zet een plusteken voor de haakjes. Enkele voorbeelden:

  • 3412=34+(12)34 - 12 = 34 + (-12)
  • 7781=77+(81)77 - 81 = 77 + (-81)
  • 6242=62+(42)62 - 42 = 62 + (-42)

Gehele getallen vermenigvuldigen

De onderdelen van een vermenigvuldiging noemen we de factoren. Tussen de factoren noteren we een maalteken en de uitkomst van de vermenigvuldiging is het product.

Een vermenigvuldiging bestaat uit factoren die als resultaat een product geven. We gebruiken het maalteken.

Een vermenigvuldiging is eigenlijk een manier om een optelling van dezelfde getallen korter te schrijven.

102=10+102 keer=2010 \cdot \orange{2} = \underbrace{10 + 10}_{\orange{2}\ \text{keer}} = 20

Je zou 10210 \cdot 2 kunnen lezen als: "zet 1010 keer 22 stappen naar rechts". Dan heb je in totaal 2020 stappen naar rechts gezet, dus 102=2010 \cdot 2 = 20.

Plus maal min is min

Waaraan denk je dan dat 3(2)3 \cdot (-2) gelijk is? Wel, je kunt 3(2)3\cdot (-2) lezen als "zet 33 keer 22 stappen naar links". (Naar links omdat er een minteken voor de 22 staat.) Je hebt dan in totaal 66 stappen naar links gezet, dus dat is hetzelfde als 6-6.

3(2)=63\cdot (-2) = -6

Wanneer we een positief en negatief getal met elkaar vermenigvuldigen, gaat de uitkomst altijd negatief zijn. Hetzelfde geldt trouwens voor het vermenigvuldigen van een negatief en positief getal. Enkele voorbeelden:

  • 2(5)=102 \cdot (-5) = -10
  • 68=48-6 \cdot 8 = -48
  • 34=12-3 \cdot 4 = -12
  • 7(9)=637 \cdot (-9) = -63

Daarom zeggen we: plus maal min is min. Een positief en een negatief getal vermenigvuldigen (of omgekeerd), geeft een negatieve uitkomst.

Min maal min is plus

Wanneer we echter een negatief en een ander negatief getal vermenigvuldigen, zal de uitkomst altijd positief zijn. Daarom zeggen we: min maal min is plus. Enkele voorbeelden:

  • 2(5)=10-2 \cdot (-5) = 10
  • 6(8)=48-6 \cdot (-8) = 48
  • 3(4)=12-3 \cdot (-4) = 12
  • 7(9)=63-7 \cdot (-9) = 63

Een beetje vreemd dat twee keer min plotseling plus geeft, niet? Hoe komt dat? Wel, je kunt het zien alsof "min maal min" het tegengestelde is van "plus maal min", net zoals 7-7 het tegengestelde is van +7+7.

Probeer even mee te volgen. Het tegengestelde van

2(5)2 \cdot (-5)

is dus (let op het minteken voor de 22):

2(5)-2 \cdot (-5)

De uitkomst van 2(5)2 \cdot (-5) moet dan ook het tegengestelde zijn van de uitkomst van 2(5)-2 \cdot (-5). We weten al dat

2(5)=102 \cdot (-5) = -10

De uitkomst van 2(5)-2 \cdot (-5) moet dus het tegengestelde zijn van 10-10. En dat is 1010!

Kort gezegd: min maal min is plus!

Plus maal plus is plus

Om ons verhaal compleet te maken, vermelden we nog even iets wat je natuurlijk al wist: plus maal plus is plus. Enkele voorbeelden:

  • 25=102 \cdot 5 = 10
  • 68=486 \cdot 8 = 48
  • 34=123 \cdot 4 = 12
  • 79=637 \cdot 9 = 63

Dat zijn vermenigvuldigingen die je (hopelijk) al vaak bent tegengekomen.

Een gedurig product uitwerken

Hierboven leerden we de volgende rekenregels:

  • Plus maal min is min
  • Min maal plus is min
  • Min maal min is plus
  • Plus maal plus is plus

Er zijn twee zaken lastig aan deze vier rekenregels:

  1. Vier rekenregels onthouden is veel...
  2. We kunnen de rekenregels enkel toepassen als de vermenigvuldiging bestaat uit twee factoren.

Gelukkig is er ook één algemene rekenregel die we met eender welk aantal factoren kunnen toepassen! 🎉 Die rekenregel luidt als volgt:

💡 Rekenregel voor het teken van een vermenigvuldiging

Als er een even aantal mintekens staat in een vermenigvuldiging, is de uitkomst positief.

Als er een oneven aantal mintekens staat in een vermenigvuldiging, is de uitkomst negatief.

Stel bijvoorbeeld dat we de volgende vermenigvuldiging moeten uitrekenen:

5(2)(4)-5 \cdot (-2) \cdot (-4)

Dat is een voorbeeld van een gedurig product. Dat is een product dat bestaat uit meer dan twee factoren. Hoe kunnen we de uitkomst van dit gedurig product uitrekenen?

Wel, ten eerste staan er drie mintekens. Er staat dus een oneven aantal mintekens in de vermenigvuldiging. De uitkomst zal dus negatief zijn. Eens we het teken kennen, moeten we enkel nog de absolute waarde van de uitkomst berekenen. Dat doen we door de absolute waarde van de getallen zelf te vermenigvuldigen: 524=405 \cdot 2 \cdot 4 = 40. De uitkomst van bovenstaande vermenigvuldiging is dus:

5(2)(4)=40-5 \cdot (-2) \cdot (-4) = -40

Om een gedurige som uit te rekenen neem je dus de volgende stappen:

  1. Bepaal het teken van de uitkomst door het aantal mintekens te tellen. Een even aantal mintekens betekent een positieve uitkomst; een oneven aantal betekent een negatieve uitkomst.
  2. Bereken de absolute waarde van de uitkomst door alle getallen te vermenigvuldigen zonder rekening te houden met het teken. Je vermenigvuldigt dus de absolute waardes.

Een ander voorbeeld:

36(5)2-3 \cdot 6 \cdot (-5) \cdot 2
  1. Bepaal het teken: We zien twee mintekens. Er staat dus een even aantal mintekens in de vermenigvuldiging. De uitkomst zal dus positief zijn
  2. Bereken de absolute waarde: 3652=1803 \cdot 6 \cdot 5 \cdot 2 = 180

De uitkomst is dus:

36(5)2=+(3652)=180\begin{aligned} -3 \cdot 6 \cdot (-5) \cdot 2 &= + (3 \cdot 6 \cdot 5 \cdot 2)\\ &= 180 \end{aligned}

De vermenigvuldiging in Z\mathbb{Z} is commutatief

Net zoals de optelling van gehele getallen, is ook de vermenigvuldiging van gehele getallen commutatief. Dat betekent dat de volgorde van de factoren niet uitmaakt. Bijvoorbeeld:

7(2)(3)=(723)=42\begin{aligned} -7 \cdot (-2) \cdot (-3) &= - (7 \cdot 2 \cdot 3)\\ &= -42 \end{aligned}
2(3)(7)=(237)=42\begin{aligned} -2 \cdot (-3) \cdot (-7) &= - (2 \cdot 3 \cdot 7)\\ &= -42 \end{aligned}
3(2)(7)=(327)=42\begin{aligned} -3 \cdot (-2) \cdot (-7) &= - (3 \cdot 2 \cdot 7)\\ &= -42 \end{aligned}

De vermenigvuldiging in Z\mathbb{Z} is associatief

De vermenigvuldiging van gehele getallen is ook associatief. Dat betekent dat de positie van de haakjes niet uitmaakt. Bijvoorbeeld:

9(35)=915=135\begin{aligned} -9 \cdot (3 \cdot 5) &= -9 \cdot 15\\ &= -135 \end{aligned}
(93)5=275=135\begin{aligned} (-9 \cdot 3) \cdot 5 &= -27 \cdot 5\\ &= -135 \end{aligned}

11 is het neutraal element voor de vermenigvuldiging in Z\mathbb{Z}

Er bestaat ook een neutraal element voor de vermenigvuldiging van gehele getallen. Dat is 11, want als je een getal met 11 vermenigvuldigt, is de uitkomst gelijk aan dat getal zelf. Enkele voorbeelden:

  • 51=5-5 \cdot 1 = -5
  • 121=1212 \cdot 1 = 12
  • 341=34-34 \cdot 1 = -34

Ook wanneer je 11 vermenigvuldigt met een getal, is de uitkomst dat getal zelf:

  • 1(7)=71 \cdot (-7) = -7
  • 158=581 \cdot 58 = 58
  • 13=31 \cdot 3 = 3

Nul is het opslorpend element voor de vermenigvuldiging in Z\mathbb{Z}

Een speciale eigenschap van de vermenigvuldiging is dat wanneer er een factor 00 voorkomt, die alle andere factoren opslorpt en de uitkomst gewoon gelijk is aan 00. We zeggen daarom dat 00 het opslorpend element is voor de vermenigvuldiging van gehele getallen. Enkele voorbeelden:

  • 7280(15)=0-7 \cdot 28 \cdot 0 \cdot (-15) = 0
  • 06=00 \cdot 6 = 0
  • 903=09 \cdot 0 \cdot 3 = 0

De vermenigvuldiging in Z\mathbb{Z} is distributief ten opzichte van het optellen en aftrekken

De laatste eigenschap van de vermenigvuldiging van gehele getallen zegt dat deze distribrutief is ten opzichte van het optellen en aftrekken. Wat betekent dat nu? Wel, distribueren betekent eigenlijk uitdelen, denk maar aan het Engelse werkwoord "to distribute". De distributieve eigenschap betekent dan ook dat wanneer je een getal vermenigvuldigt met een optelling (of aftrekking), je dat getal mag uitdelen aan elk van de termen van die optelling (of aftrekking).

Stel bijvoorbeeld dat we de volgende vermenigvuldiging moeten uitrekenen:

3(5+2+4)3 \cdot (5 + 2 + 4)

De eerste manier om dit uit te rekenen, is door eerst gewoon uit te rekenen wat er tussen de haakjes staat. Dan maken we geen gebruik van de distributieve eigenschap.

3(5+2+4)=311=33\begin{aligned} 3 \cdot \orange{(5 + 2 + 4)} &= 3 \cdot \orange{11}\\\\ &= 33 \end{aligned}

Een tweede manier is om wél gebruik te maken van de distributieve eigenschap en de factor 33 uit de delen aan elke term van de optelling. We zien dat we dezelfde uitkomst krijgen:

3(5+2+4)=35+32+34=15+6+12=33\begin{aligned} \orange{3} \cdot (5 + 2 + 4) &= \orange{3}\cdot 5 + \orange{3}\cdot 2 + \orange{3}\cdot 4 \\\\ &= 15 + 6 + 12\\ &= 33 \end{aligned}

Let wel goed op met mintekens wanneer je de distributieve eigenschap toepast. Zorg dat de factor die je uitdeelt mooi zijn teken meeneemt en dat je ook het teken van de termen opnieuw schrijft:

6(2+85)=6(2)+(6)8(6)5=1248+30=6\begin{aligned} \orange{-6} \cdot (-2 + 8 - 5) &= \orange{-6} \cdot (-2) + (\orange{-6}) \cdot 8 - (\orange{-6}) \cdot 5\\ &= 12 - 48 + 30\\ &= -6 \end{aligned}

Het kan natuurlijk ook dat de factor na de haakjes staat:

(6+3+4)4=64+34+44=24+12+16=4\begin{aligned} (-6 + 3 + 4)\cdot \orange{4} &= -6\cdot\orange{4} + 3 \cdot\orange{4} + 4 \cdot\orange{4}\\ &= -24 + 12 + 16\\ &= 4 \end{aligned}

Gehele getallen delen

Een deling bestaat uit een deeltal die we moeten delen door een deler. Het resultaat van een deling noemen we het quotiënt.

Een deling bestaat uit een deeltal en een deler die als resultaat een quotiënt geven. We gebruiken het deelteken.

Een deling als 10:510 : 5 kan je lezen als: "Als ik 1010 bolletjes in 55 gelijke groepen wil verdelen, hoeveel bolletjes zitten er dan in elk groepje?" Dat is in dit geval 22.

Delen met negatieve getallen

Om een deling met negatieve getallen uit te rekenen, moeten we net als bij de vermenigvuldiging eerst op zoek naar het teken van de uitkomst. Gelukkig zijn de rekenregels heel gelijkaardig als bij de vermenigvuldiging:

  • Plus gedeeld door min is min
  • Min gedeeld door plus is min
  • Min gedeeld door min is plus
  • Plus gedeeld door plus is plus

Of, in één regeltje: een even aantal mintekens in de deling geeft een positieve uitkomst; een oneven aantal mintekens in de deling geeft een negatieve uitkomst.

Eens we het teken van de uitkomst hebben bepaald, berekenen we de waarde van de uitkomst door de absolute waarden van de opgave te delen.

Enkele voorbeelden:

  • 10:(5)=210 : (-5) = - 2 (plus gedeeld door min)
  • 21:7=3-21 : 7 = -3 (min gedeeld door plus)
  • 45:(9)=5-45 : (-9) = 5 (min gedeeld door min)
  • 96:12=896 : 12 = 8 (plus gedeeld door plus)

De deling van gehele getallen is NIET commutatief

Je kunt het deeltal en de deler van een deling niet zomaar van plaats verwisselen. De deling van gehele getallen is dus niet commutatief. Een voorbeeld:

8:(2)=48 : (-2) = -4
2:8=14-2 : 8 = -\frac{1}{4}

Je ziet dat we niet dezelfde uitkomst krijgen wanneer we het deeltal en de deler omwisselen.

De deling van gehele getallen is NIET associatief

Je kunt ook de haakjes niet zomaar van plaats veranderen bij een deling van gehele getallen. De deling van gehele getallen is dus niet associatief. Een voorbeeld:

24:(6:2)=24:3=8\begin{aligned} -24 : (6 : 2) &= -24 : 3\\ &= -8 \end{aligned}
(24:6):2=4:2=2\begin{aligned} (-24 : 6) : 2 &= -4 : 2\\ &= -2 \end{aligned}

Je ziet dat we niet dezelfde uitkomst krijgen wanneer we de haakjes in de deling van plaats veranderen.

Samengevat

Basisbewerkingen

De verzameling van de gehele getallen kent vier basisbewerkingen:

  1. De optelling: a+ba + b bestaat uit termen en geeft een som als resultaat.
  2. De aftrekking: aba - b bestaat uit een aftrektal aa en een aftrekker bb (of ook gewoon "termen") en geeft een verschil als resultaat.
  3. De vermenigvuldiging: aba \cdot b bestaat uit factoren en geeft een product als resultaat.
  4. De deling: ab\frac{a}{b} bestaat uit een deeltal aa en een deler bb. Het resultaat noemt men het quotiënt.

Eigenschappen van de optelling van gehele getallen

  • De optelling in Z\mathbb{Z} is commutatief: a+b=b+aa + b = b + a
  • De optelling in Z\mathbb{Z} is associatief: (a+b)+c=a+(b+c)=a+b+c(a + b) + c = a + (b + c) = a + b + c
  • 00 is het neutraal element voor de optelling in Z\mathbb{Z}: a+0=0+a=aa + 0 = 0 + a = a

Teken van een vermenigvuldiging

Bij een vermenigvuldiging geldt:

  • Plus maal min is min
  • Min maal plus is min
  • Min maal min is plus
  • Plus maal plus is plus

Of algemener:

  • Als er een even aantal mintekens staat in een vermenigvuldiging, is de uitkomst positief.
  • Als er een oneven aantal mintekens staat in een vermenigvuldiging, is de uitkomst negatief.

Eigenschappen van de vermenigvuldiging van gehele getallen

  • De vermenigvuldiging in Z\mathbb{Z} is commutatief: ab=baa \cdot b = b \cdot a

  • De vermenigvuldiging in Z\mathbb{Z} is associatief: (ab)c=a(bc)=abc(a \cdot b) \cdot c = a \cdot (b \cdot c) = a \cdot b \cdot c

  • 11 is het neutraal element voor de vermenigvuldiging in Z\mathbb{Z}: a1=1a=aa \cdot 1 = 1 \cdot a = a

  • 00 is het opslorpend element voor de vermenigvuldiging in Z\mathbb{Z}: a0=0a=0a \cdot 0 = 0 \cdot a = 0

  • De vermenigvuldiging in Z\mathbb{Z} is distributief over de optelling in Z\mathbb{Z}: a(b+c)=ab+aca\cdot (b + c) = a\cdot b + a \cdot c

  • De vermenigvuldiging in Z\mathbb{Z} is distributief over de aftrekking in Z\mathbb{Z}: a(bc)=abaca\cdot (b - c) = a\cdot b - a \cdot c

Teken van een deling

Bij een deling geldt:

  • Plus gedeeld door min is min
  • Min gedeeld door plus is min
  • Min gedeeld door min is plus
  • Plus gedeeld door plus is plus

Of algemener:

  • Als er een even aantal mintekens staat in een deling, is de uitkomst positief.
  • Als er een oneven aantal mintekens staat in een deling, is de uitkomst negatief.
Download deze les als pdf

Hoe duidelijk vond je deze les?

lamp_broken
lamp_off
lamp_on
Volgende les: Volgorde van de bewerkingen 👉

Vragen en reacties

Hoe Zit Het? vzw
ON 0736.486.356 RPR Brussel